Hoe betekenisvol is thematisch werken?

foto: Christine Jamin (Pixabay)

 

Sluit thematisch werken aan bij de behoeften van het kind?

Ons thema is verkeer, lees ik bij het passeren van een kindercentrum. Er is duidelijk over het thema nagedacht, want ik kan ook de subthema’s lezen en de daaraan gekoppelde activiteiten. Kinderen gaan o.a een verkeersbord maken er wordt een parcours uitgezet en de kinderen mogen met auto’s sporen maken in de verf. Ook gaan de kinderen naar de bibliotheek om boekjes te halen over het thema. 

Hoe langer ik betrokken ben bij de kinderopvang, hoe meer ik twijfel over de thematisch aanpak van ons activiteitenprogramma. Ik begrijp dat het handvatten biedt voor pedagogisch medewerkers. Ik ben mij ook bewust van de duidelijk context waarin je taal kunnen aanbieden en leermomenten kunt aanreiken. Ik ben er enkel niet zo zeker van of het kindgericht is. 

Neem het thema verkeer. In hoeverre zijn kinderen tot vier jaar actief betrokken in het verkeer? Zij komen feitelijk nooit buiten zonder begeleiding. In veel gevallen zitten zij achterop de fiets, in de wandelwagen, achterin de auto of lopen zij aan de hand van een volwassenen. Hun deelname in het verkeer is passief. En hoe leuk de geplakte verkeersborden en parcours er ook uitzien, het blijft de vraag. Sluiten de thema’s daadwerkelijk aan bij de belevingswereld van het kind? Waaruit blijkt dat kinderen in de maanden maart en april zich bezighouden met verkeer? Zijn het niet voorbedachte en (ver) vooruit geplande activiteiten van de volwassenen? Maken wij geen inschatting op basis van wat de kinderen leuk zullen vinden in plaats van waar hun behoeften liggen? 

Wellicht zit mijn twijfel vooral in de wijze waarop wij het aanbieden. Wanneer ik een activiteit aanbiedt komt het voort uit de interesse van het kind. Een kind stelt een vraag. Een vraag geeft meestal aan dat er behoefte is aan (extra) kennis, begrip en/of vaardigheden. 

Even een voorbeeld.

Het heeft net geregend en de kinderen zijn buiten aan het spelen. 

Tygo: “Waarom zijn alle regendruppels niet even groot?”
PM-er: “Ja, goede vraag, Tygo. Wat denk jij?”
Tygo: (denkt na): “Ik denk dat de druppels allemaal anders uit de lucht komen vallen”. 

Ondertussen zijn Linh en Najib erbij komen staan en gaan ook op onderzoek uit.
Najib: “Soms hebben de bladeren zich verstopt voor de regen”. Hij wijst naar een blad zonder waterdruppels. “Deze is nog droog”.  

Samen proberen wij antwoord te krijgen op de vraag. De kinderen zien ook dat de druppels van een hogere gelegen blad op een lager gelegen blad vallen. Een vallende druppel heeft zich samengevoegd met een andere druppel. De druppel is daardoor groter geworden. Het gesprek gaat nu over grote en kleine druppels. De kinderen verliezen hun aandacht. De kinderen hebben blijkbaar een antwoord gekregen op de vraag: Waarom zijn alle regendruppels niet even groot? Linh stampt in de plas en zegt dat dit een hele grote druppel is. De PM-er beaamt het. Linh’s vraag kan een vervolgactiviteit worden. Hoeveel druppels zitten er in deze plas? En hoe kunnen wij dat onderzoeken?

De thema’s die hierbij aansluiten zijn regen, nat worden of water. Toch ben ik er bijna zeker van dat het andersom niet werkt. Wij kiezen het thema water, regen of nat worden en bedenken en plannen deze activiteit. Wij zijn niet in staat om vooraf de behoefte van het kind zo helder in te schatten. 

Binnen de wijze waarop wij de thema’s nu aanbieden krijgen kinderen vooral de kans om binnen het gegeven moment, de activiteit, te mogen onderzoeken en te leren. In veel gevallen leven de thema’s ook niet echt bij de kinderen. Ik zie nauwelijks dat kinderen vanuit eigen spel het thema verdiepen of eigen maken. 

Daarmee zeg ik niet dat het betekenisloos is voor kinderen, maar ik denk dat er andere manieren zijn om meer kindgericht te werken. Uitgaan van de interesse en nieuwsgierigheid van het kind in plaats van de ideeën van volwassenen. 

Hoe ziet het er dan uit? 

In plaats van het aanreiken van thema’s kun je ook materiaal in de groep leggen, die de nieuwsgierigheid prikkelen en hun onderzoekend vermogen activeren. Deze materialen kunnen vragen oproepen bij kinderen en daarmee ga je aan de slag. Deze vragen en verwonderingen worden het uitgangspunt voor een activiteit. Een doos vol veren kan leiden tot gesprek en activiteiten met betrekking tot vogels, vliegen, lucht, vogeltrek in het najaar, broeden, eieren, nesten etc.

Neem hen ook mee naar buiten. Wat zeggen zij? Wat vragen zij? Wat benoemen zij? Zien zij een ambulance voorbij komen en maakt het hen enthousiast? Haak hierop in. Onderzoek wat de kinderen al weten van het voertuig. Waar gaat de ambulance naar toe? Wie zou er in liggen? Wat zal er gebeuren in het ziekenhuis? Ben jij al eens in het ziekenhuis geweest of bij de dokter? Wat deed de dokter?

Wil je liever de kinderen sturen naar omgangsnormen in het verkeer, dan gooi je de vragen over een andere boeg. Je spreekt dan over verkeerslichten en de betekenis van de kleuren. Je kunt ook vragen of een ambulance moet stoppen voor rood licht. Je kunt dan vertellen dat het netjes is om ruimte te maken voor een ambulance met sirenes. Zo kun je de ambulance helpen om zo snel mogelijk bij het ziekenhuis aan te komen. 

In die gesprekken zijn kinderen veel meer geïnteresseerd in de informatie. Het is namelijk precies het juiste moment. Zij zitten nog midden in de ervaring. Zij zullen ook veel meer betekenis kunnen geven aan de aangereikte taal, kennis en vaardigheden. 

Deze werkwijze vergt wellicht meer van de pedagogisch medewerker, maar het maakt hun vak ook inhoudelijk interessanter. En dat kan weer effect hebben op de aantrekkingskracht om in de kinderopvang te willen werken. Dingen zijn soms meer verbonden met elkaar dan je op het eerste oog denkt.

foto: KarinKarin (Pixabay)